Translate with Google

LIEDJES

 

Iemand vroeg mij laatst: heb je de liedjes gemaakt die je had willen maken?


Het lijkt een redelijk simpele vraag, maar ik kon hem eigenlijk niet beantwoorden. Ik heb nooit gedacht: kom, laat ik Starlight Dancer eens maken. Ik merkte pas dat het Starlight Dancer was, toen het nummer klaar was. Je kunt niet van te voren bedenken welk liedje je gaat schrijven. Je kunt wel bedenken: ik ga zo’n of zo’n soort nummer maken. Maar dat kan, al doende, toch anders uitpakken. Je bent wie je bent, en je schrijft daarom wat je schrijft, of je dat nu wil of niet.


In het geval van Starlight Dancer had ik een vaag vermoeden van de eerste coupletten. Een beetje hymne-achtig, maar dan op een intieme manier en sterk gebaseerd op kerk-akkoorden en progressies. Een soort Wilhelmus, maar dan anders, zeg maar. De basis daarvan heb ik gelegd ergens in 1977, in een kleedkamer te Preston, Engeland, toen we daar met Kayak op tournee waren als support van Jan Akkerman. Er stond toevallig een piano en omdat dat idee (dat nog niet meer dan een vaag vermoeden was) er doodeenvoudig uit wilde, nam ik de gelegenheid te baat om er ter plekke een begin mee te maken. Toen dat stuk qua akkoorden zo’n beetje in de grondverf stond, bedacht ik pas dat het misschien wel mooi zou zijn om er een wat langer, symfonisch stuk van te maken met een uptempo middendeel.

 
Waar en hoe ik dat heb geschreven weet ik niet meer, ik denk een paar weken later toen we weer thuis waren. En vanaf welk moment het Starlight Dancer ging heten staat me ook niet meer bij, maar wel dat ik in het liedje ook weer ‘terug’ moest, omdat ik niet met dat uptempo stuk wilde eindigen. Het nummer zou dan immers komen te bestaan uit twee losstaande delen, die weliswaar mooi aansloten maar die eigenlijk geen onderlinge samenhang hadden. Dan had ik er net zo goed twee verschillende nummers van kunnen maken. Er moest een verbindend en afsluitend deel 3 komen.


Het was dus bijna logisch om, na een geleidelijke tempo-halvering, terug te keren naar de coupletten van deel 1. Om daar te komen gebruikte ik de aanloop naar dat uptempo stuk, maar dan in omgekeerde (dalende) richting. Het verschil was, dat deze ‘herhaling’-coupletten instrumentaal en met volle elektrische bepakking werd uitgevoerd. Het leent zich met die heftige begeleiding beter voor jubelende gitaren dan voor leadzang omdat dat veel kracht van de zanger zou vragen, wat haaks zou staan op de toch wat melancholieke melodie en akkoorden.


Uiteindelijk belanden we na deel 3 in het verstilde coda, dat bestaat uit de thematiek van (het slot van) het couplet uit deel 1 en het refreinmotief uit deel 2. Wat overigens ook het uit vier maten bestaande intro van het hele nummer is. Dat intro is er dus later voor is gezet, eenvoudigweg omdat ik ten tijde van het schrijven van de coupletten het ‘Starlight Dancer’ refrein nog niet had. Daarmee was de cirkel rond- het nummer eindigde na allerlei omzwervingen zoals het begon.


Wist ik dit allemaal van te voren? Natuurlijk niet. Daarom wist ik ook niet dat ik Starlight Dancer ging maken.


Het enige antwoord op de in het begin gestelde vraag luidt: ik heb de liedjes gemaakt die er uit kwamen. Ze zijn wat ze zijn. Sommige goed gelukt, andere wat minder. Sommige zijn verrassenderwijs ‘aangeslagen’ bij een groter publiek, andere zijn tot mijn verbazing juist amper opgemerkt. Ik had ook een hoop andere liedjes willen maken, maar dat is er (nog?) niet van gekomen. Dus ik laat me verrassen.