Translate with Google

GEEN GEHOOR

augustus 2018

(ook verschenen in het tijdschrift iO Pages)

 

Sommige muzikanten die al wat langer meegaan in het vak en niet al te voorzichtig zijn geweest met hun oren, worden 24 uur per dag geplaagd door kwetterende vogelnestjes, zagende krekels of aanstormende oceanen, oftewel: tinnitus, een onomkeerbare gehoorbeschadiging die je het leven flink zuur kan maken. En denk niet dat ik het alleen over rockbands heb: de gemiddelde hoboïst van een klassiek orkest, die zijn werkzame leven recht voor de trompetten doorbrengt, kan er over meepraten. 

 

Hoewel ook mijn gehoor niet helemaal ruisvrij is gebleven, ben ik er in dat opzicht nog redelijk vanaf gekomen. Zeker als je bedenkt dat ik met Kayak jarenlang vlak naast Pim Koopman op het podium stond te spelen, die er welhaast een sport van maakte om met zo min mogelijk kracht zo veel mogelijk geluid te produceren. 

 

Ik vergeet nooit dat we ooit eens een decibelmeter in de zaal plaatsten. Op 15 meter afstand van zijn drumstel noteerde dat ding voor alleen zijn snare-trommel nog 105 db. Pim was er trots op. “Dan sla ik nog niet eens echt hard,” riep hij dan, vrolijk handenwrijvend zoals alleen hij dat kon doen. 

 

Toen wij de rock-opera ‘Nostradamus- The Fate of Man’ live ten gehore brachten, werkten we met extra banden waarop koren, effecten en wat andere instrumenten ‘meeliepen’, omdat we de CD zo getrouw mogelijk wilden uitvoeren. Om daarmee synchroon te kunnen spelen, was een zogenaamde clicktrack nodig, oftewel een apart spoor met een metronoom. De drummer is daarbij de belangrijkste schakel voor de band: als hij die metronoom niet goed kan horen loopt het zeker fout.

 

Pim en Ton.jpg

 

Pim zat bij die show met zijn slagwerk veilig opgeborgen in de onderste laag van een drie verdiepingen tellende toren, omgeven door 3 wanden van plexiglas. Tijdens een pauzemomentje in de soundcheck liep ik daar eens voorbij (Pim was op dat moment even ergens anders) en hoorde luid en duidelijk meedogenloos getik, alsof er ergens een specht fanatiek bezig was de muren van het theater van gaten te voorzien. Dat geluid bleek dus ergens uit de koptelefoon van Pim te komen, die in dat bijna afgesloten hok ergens op een kruk lag (de koptelefoon, niet Pim). Ik ging er binnen en zette het ding eens op- allemachtig! Wat uit die koptelefoon kwam, was voor mij onverdraaglijk, oorpijnigend hard. Maar Pim verblikte of verbloosde er niet bij, hij had dat geluidsniveau kennelijk nodig om boven zijn eigen drums uit te komen en was er aan ‘gewend’. Hij moet daar absoluut een gehoorsmatige tol voor hebben betaald. Het was dan ook een wonder dat je dat in de studio volstrekt niet merkte: als er iemand was die álles hoorde en niets ontging, was het Pim wel.

 

Een ander bizar fenomeen in dat opzicht was toetsenist Ritchie Close, met wie ik rond 1984 in Camel speelde. Ik heb altijd de neiging om mijn eigen keyboards niet al te hard in de mix te zetten: ik heb het liefste dat het bij mij klinkt zoals het in de zaal zou moeten klinken. In balans dus, als totaal-bandmix. Wij stonden die tour vlak naast elkaar opgesteld. Als Ritchie echter soleerde moest ik werkelijk mijn hoofd wegdraaien om zijn snerpende synthesizer enigszins te ontwijken. Hijzelf had zo te merken nergens last van. Los van de vraag of hij de rest van de band nog wel kon horen, begreep ik niet hoe hij dat volume überhaupt fysiek verdroeg. Overigens waren sommige bandleden van Kayak destijds ook niet heel erg blij met mijn lesley- het ding verdween ook steeds verder uit de buurt van het podium, tot in de kleedkamer aan toe. In dat opzicht ben ik wel blij met de ‘oortjes’ van tegenwoordig, zodat je de balans zelf kunt regelen en van buiten komende ‘overlast’ kunt elimineren. (ja, publiek, ook u).

 

Natuurlijk, ik houd ook van volume. Het mag en moet stevig kunnen klinken, rock moet je ook voelen en (vooral) niet doorheen kunnen praten. Al die decibelmaatregelen in sommige zalen de laatste jaren, ik ben er niet weg van. En dempers in je oren is ook niet alles. Maar het heeft een groot nadeel. Laat ik het zo zeggen: zolang je na een popconcert bij thuiskomst nog gepiep hoort, is dat een goed teken- maar wel een waarschuwing. Als je daar na een concert geen last meer van hebt, tja, dan eh…moet je je misschien toch eens achter je oren krabben.