Translate with Google

BIJZONDER?

november 2018

 

Toen ik een jaar of negen was zat ik op accordeonles. Aan het schooltje was een accordeonclub verbonden waarmee ik zelfs een keer heb opgetreden in theater Gooiland te Hilversum. Ik was op dit instrument niet echt een supertalen. Daarbij kwam dat het aangeboden repertoire mij ook in het geheel niet aansprak, dus binnen twee jaar was ik er wel een beetje klaar mee. De linker bas-kant (met die knopjes) heb ik nooit goed leren beheersen, en ja, die rechterhand, dat lukte dan wel omdat dat feitelijk niet meer was dan een kort soort pianoklavier dat alleen enigszins onhandig, maar wel noodzakelijkerwijs overdwars was geplaatst.

 

Later is de accordeon verrassenderwijs op veel Kayak albums wel een rol gaan spelen. Het werd zelfs een soort traditie om op elke plaat tenminste één keer een accordeon partij te hebben. Dat hebben we, eerlijk is eerlijk, niet alle zeventien albums volgehouden, maar vaak bleek dit instrument, dat binnen de rockmuziek toch niet heel erg gangbaar is, de oplossing te bieden wanneer we met het arrangement van een bepaald nummer een beetje vastzaten. Als gitaar, synthesizer, piano of orgel niet lukte haalden we vaak toch maar weer die accordeon uit de koffer en jawel, meestal werkte het ook nog. See See the Sun, Wintertime, Wnere do we go from here, First signs of spring, Lost Blue of Chartres en wat meer recentelijk How,, Anywhere but here en Love, Sail Away, zijn zo een paar voorbeelden van nummers waarop de accordeon een sleutelrol speelt. Ik heb het instrument ook live nog wel eens ter hand genomen, voor het laatst meen ik tijdens de sems-acoustische intermezzo in de tour van 2001.   

 

Het was overigens niet het meest rock-vreemde instrument dat we ooit gebruikten: dat was zonder twijfel het draaiorgel op Mammoth (1973). Dat bleef uiteraard bij een studio-opname, wat al lastig genoeg was geweest (de opnames vonden buiten plaats omdat de Flamingo niet door de studiodeuren paste). 

 

Een ander instrument dat enigszins buiten ons vaste patroon viel, maar wel gebruikt werd was de contrabas. Om op mijn 17e van de middelbare school af te komen was ik destijds ‘akkoord’ gegaan met een vakopleiding klassiek contrabas. In mijn vrije tijd speelde ik al basgitaar in bandjes, dus dat leek me wel een logische overstap- alles om van die ellendige HAVO af te komen. Niet dat ik die contrabas-studie wel heb afgemaakt (story of my life), maar ik speelde er goed genoeg op om dat ook live te doen, tijdens My Heart never Changed. Wie speelde er dan piano, zult u vragen? Pim Koopman, die kon dat minstens even goed als ik. Omdat ik tijdens mijn studio aan de vakopleiding (1970-1973) in allerlei klassieke ensembles zat, speelde ik ooit Het Carnaval der Dieren van Saint-Saëns. Met name de koddige maar lastige bas-solo van de Olifant staat mij nog helder voor de geest. Later heb ik het bijna complete werk in een soort van pop-arrangement nog eens dunnetjes overgedaan en er een solo album van gemaakt (1977), dus helemaal voor niks was het niet geweest. Ik heb de contrabas toen trouwens vervangen door een bas mondharmonica, dat ongeveer hetzelfde effect gaf.  

 

Na die tour (1975) heb ik de contrabas eigenlijk nauwelijks meer aangeraakt. Omdat je zoiets toch wel moet bijhouden, verdween mijn techniek dan ook als sneeuw voor de zon. En die bas ook, na een tournee met Harry Sacksioni (1986). Het instrument, dat al niet van topkwaliteit was en reeds jaren ongebruikt ergens achteraf stond te verstoffen, werd toen als een soort herintreder ingezet als kolderieke surprise-act. De bassist viel er zogenaamd over, tot grote schrik en hilariteit van de toeschouwers. De arme bas kletterde daarbij avond na avond op het podium uiteen in tientallen stukken, die werkelijk alle kanten uitvlogen- ook het publiek in. Na ieder optreden werd basje weer zo goed en zo kwaad als het kon in en aan elkaar geplakt, om de volgende show nog verder mishandeld te worden. Hij eindigde roemloos in de afvalbak, en het idee dat ik dit ooit een instrument heb kunnen aandoen wekt nog altijd vage gevoelens van schaamte bij me op. Maar leuk was het wel.

 

In de loop der jaren zijn veel pop- en rocknummers verfraaid en opgeleukt door veel muziekinstrumenten, die je daar niet een-twee-drie zou verwachten. Zo kun je denken aan de sitar (voor zover ik weet geïntroduceerd door the Beatles), maar ook het kerkorgel en allerhande ‘klassieke’ instrumenten. Inmiddels is het genre rock- en pop zo breed geworden dat de grenzen nogal zijn vervaagd, mede door de intrede van samplers en synthesizers waarmee bijna elk instrument door een druk op de knop tevoorschijn worden gehaald. Omdat alles kan, is niets meer bijzonder. En misschien vat dat zo’n beetje wel de hele huidige rock-cultuur samen…